SER-voorzitter Mariëtte Hamer vertelde afgelopen vrijdag in een interview met Radio 1 dat de twaalf grootste industriële CO2-uitstoters ‘schoner’ moeten worden en ‘meer moeten innoveren’. Volgens Hamer kunnen dergelijke maatregelen gunstige gevolgen hebben voor de regio’s waar deze bedrijven gevestigd zijn. Bovendien zijn dergelijk maatregelen goed voor de werkgelegenheid.

Hamer meent dat de industrie ‘koploper programma’s’ moet gaan maken, die zijn gericht op CO2-vermindering. Deze programma’s zouden vervolgens beoordeeld moeten worden door een ‘college van onafhankelijke internationale deskundigen’.

En dan wordt het interessant. Hamer zegt: “Stel: de bedrijven hebben allemaal ouderwetse koelkasten, dan krijgen ze een boete. Als ze nou zorgen dat ze allemaal nieuwe koelkasten hebben staan, kunnen ze de uitstoot verminderen en die boete vermijden.”

Was het maar zo simpel. De vergelijking met de koelkast gaat uiteraard volledig mank als we naar de werkelijke investeringen kijken. Voor 500 euro koopt elke consument een A++ koelkastje, maar het realiseren van een nieuwe Hisarna plant kost exponentieel veel meer dan dat koelkastje. Tata wil dat best doen, maar heeft daarvoor veel geld nodig om die onrendabele top te financieren. Zolang de overheid niet met concreet beleid komt, kan geen weldenkend mens verlangen dat ze in IJmuiden maar vast ‘even’ een nieuwe plant neerzetten.

Dat Hamer geen flauw idee heeft waar ze over praat, blijkt ook wel uit het tweede deel van haar uitspraak. De industrie is er namelijk al lang geleden mee akkoord gegaan om bij het blijven gebruiken van die ‘oude koelkast’ een boete te betalen. Het bonus-malus systeem regelt namelijk precies dat. De enige reden dat dat nu nog niet gebeurd, is dat de politiek er nog niet uit is. En die koploperprogramma’s? Ga maar eens kijken bij de field labs, bij Dow en Yara die waterstof uitwisselen en bij al die andere bedrijven die nu al investeren in duurzaamheid, waarbij het rendement vaak nog niet gegarandeerd is.

Jan de Loper