Leestijd: 50 seconden

Lezers die met enige regelmaat de NOS-website doorspitten, stuitten vandaag op een opmerkelijk bericht: volgende de KNAW ‘valt het wel mee met de braindrain.’ Wel worden meer ‘bewegingen’ geconstateerd.

Wat het bericht nu zo opmerkelijk maakt, is niet zozeer dat het met de braindrain wel mee lijkt te vallen, maar dat er in het bericht totaal geen onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende subdisciplines. Dat er op het gebied van geesteswetenschappen en sociale wetenschappen geen sprake is van braindrain, lijkt vrij logisch: er is een overschot aan alfa-studenten die na hun studie graag het onderzoek in gaan. Maar chemisch technologen en IT’ers, dat is toch een heel ander verhaal?

Tanja van der Lippe, voorzitter van de adviescommissie die belast was met de uitvoering van het onderzoek, zegt er dit over: “Het onderscheid tussen de verschillende subdisciplines was niet de focus van het onderzoek. Wel zijn er diverse leden in de commissie afkomstig uit de technisch-wetenschappelijke hoek. Daarnaast hebben we ons rapport gebaseerd op kwalitatief onderzoek: we hebben veertig interviews afgenomen. We wilden wel kwantitatief onderzoek doen, maar we doen dit werk kosteloos en dan wordt zoiets lastig.”

Dat er reden is om aan te nemen dat de verschillen tussen de subdisciplines groot is, blijkt uit één paragraaf in het onderzoek: daar valt te lezen dat het percentage onderzoekers in Nederland met een niet-Nederlandse achtergrond in de domeinen techniek- en natuurwetenschappen groot is (40-50%), terwijl dat aandeel in de domeinen rechts- gedrag- en maatschappijwetenschappen laag is (15-20%).

Het rapport komt met een aantal aanbevelingen om wetenschappelijk werd in Nederland aantrekkelijker te maken. Benieuwd naar de samenvatting? Die vindt u hier. Het volledige rapport vindt u hier.