Nieuwe Omgevingswet komt eraan

“De nieuwe Omgevingswet komt er aan en daarover gaan wij adviseren.”Dat zegt Pieter G. Wildschut, onafhankelijk voorzitter van de Commissie Transport Gevaarlijke Goederen -CTGG-. In de CTGG zijn 15 organisaties uit het bedrijfsleven verenigd met leden die activiteiten hebben in de op- en overslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen. [Zie voor de leden https://www.ctgg.nl/site/leden].

De CTGG vertegenwoordigt de belangen van bedoelde ondernemingen sinds 1954 bij de overheden en ander relevante partijen. De CTGG wil op een structurele wijze bijdragen aan de veiligheid rond en bij op- en overslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, middels inbreng van opgedane kennis in nationale en internationale regels, handleidingen voor de praktijk, Publikatiereeks Gevaarlijke Stoffen -PGS-, Convenant Warme Bleve-vrij rijden, de jaarlijkse CTGG-dag, enzovoorts.

De CTGG adviseert de overheid op het gebied van de nieuwe Omgevingswet. Wat houdt de omgevingswet in en wanneer gaat die van kracht worden? Wildschut: “De overheid omschrijft het doel zelf heel algemeen dat met de Omgevingswet de regels voor ruimtelijke ontwikkeling vereenvoudigd en samengevoegd worden. Zodat het na invoering  bijvoorbeeld makkelijker is om bouwprojecten te starten. Naar verwachting treedt de Omgevingswet in 2021 in werking. Feitelijk is de Omgevingswet een resultaat van het overheidsproject met de titel ‘Eenvoudig Beter’. In dit project bleek het met bouwen en ruimtelijke ordening een grote warboel te zijn, wat natuurlijk kostbaar en tijdrovend was.”

“Activiteiten met gevaarlijke stoffen gaan in de Omgevingswet een plaats vinden in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving – BKL. Nieuw daarin zal zijn dat voor BRZO bedrijven gevaarlijke stoffen meer op hun effect bekeken gaan worden. Om zulke bedrijven zullen cirkels getrokken worden, hetzij voor een mogelijke brand, een explosie of de ontsnapping van een giftige stof. Aan die bebouwing binnen zo’n cirkel (aandachtsgebied) kunnen bouwkundige eisen gesteld worden om voor de bewoners de nodige veiligheid te bieden voor het geval dàt er iets gebeurt met gevaarlijke stoffen.”

Wat vindt Wildschut van deze wet? “Kijk, als iets ‘eenvoudig beter’ kan, dan is het bedrijfsleven natuurlijk zeer positief. Het probleem is dat onderhand bij de totstandkoming van de BKL, zoveel complicerende aspecten zijn gekomen, dat aan die slogan allang geen recht meer wordt gedaan. Temeer doordat het alleen kijken naar effect van een gevaarlijke stof een breuk is met waar we in Nederland al tientallen jaren aan gewend zijn en dat is de kans op een incident of accident. Dus dat het risico in ogenschouw wordt genomen. Bij gevaarlijke stoffen is de norm daarvoor steeds 10-6, dat wil zeggen dat de kans bestaat dat een mens op een bepaalde afstand van gevaarlijke stoffen handelingen het leven verliest, eens in de miljoen jaar is.”

Voor luchtvaart, nucleaire installaties en bij de zeewering blijft men in het beleid wel bij de bestaande risiconormen, zij het dat daar gerekend wordt met kansen eens in de 100.000 jaar en lager. Het ene veiligheidsbeleid is dan volstrekt anders dan de andere. Hoe is dat uit te leggen? “Het vervelende is dat het effect van een stof of goed niet te veranderen is, dus de betreffende BRZO-bedrijven kunnen die cirkels rondom hun terrein niet beïnvloeden. Bij de risicobenadering was er bij bedrijven altijd de positieve drang om de risico’s te beperken in hun bedrijf, want daardoor konden ze met minder risico meer produceren, andere producten maken, meer opslaan, etc. Nu gaat straks die drang weg en vervallen we in stagnatie zowel bij het bedrijf als bij de ruimtelijke ordening.”

Wat moet er volgens u in ieder geval niet gebeuren? “Dat we straks met het BKL een regelgeving introduceren die de veiligheid rondom bedrijven niet verbetert, de ruimtelijke ordening daarbij op slot gaat, en door alle complicaties burgemeesters niet goed in staat zijn aan hun burgers kunnen uitleggen hoe het met de veiligheid gesteld is. Laat staan waarom openbare veiligheid met betreking tot BRZO-bedrijven een afwijkende systematiek kent, anders dan luchtvaart, nucleaire installaties en zeewering.”