De fabrieken van de Nederlandse (petro)chemie zijn tussen 2014 en 2017 aanzienlijk verjongd door investeringen in modernisering en nieuwbouw. Hierdoor is de gemiddelde restlevensduur met 25 procent toegenomen en kunnen de faciliteiten gemiddeld nog achttien jaar mee. Dit blijkt uit een recent onderzoek naar de staat van de installaties in de Nederlandse (petro)chemische industrie.

Het onderzoek naar de staat van de (petro)chemische installaties is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat door onderzoeksbureau Mainnovation. Het is tot stand gekomen binnen het programma Duurzame Veiligheid 2030 (DV2030). In dat programma werken overheid, wetenschap en bedrijfsleven samen om de veiligheid van de Nederlandse (petro)chemische industrie te versterken.

Geanonimiseerde enquête
De onderzoekers keken onder meer naar de productie-en opslagfaciliteiten, zoals tanks, leidingen, utilities en reactoren. Voor de nulmeting vulde een representatieve groep BRZO-bedrijven uit de (petro) chemie een geanonimiseerde enquête in met onder meer vragen over de gemiddelde leeftijd van de asset base, investeringen in modernisering en veiligheid, de gemiddelde restlevensduur van de asset base en de ontwikkeling van de onderhoudskosten de afgelopen jaren. Mainnovation voerde ook een literatuuronderzoek uit en interviewde eveneens vertegenwoordigers van bedrijven.

Levensduur installaties
Uit het onderzoek blijkt dat installaties niet het eeuwige leven hebben, maar dat de restlevensduur kan worden beïnvloed. Zo toont het onderzoek aan dat tussen 2014 en 2017 de restlevensduur is toegenomen; daar waar in 2014 nog 46 procent van alle in gebruik zijnde installaties binnen 10 jaar het einde van haar levensduur zou bereiken, was dat in 2017 nog maar 21 procent. Door installaties periodiek te vernieuwen kunnen bedrijven ook relatief oudere fabrieken vitaal, veilig en concurrerend houden. Het komt erop neer dat installaties iedere 30 jaar worden gemoderniseerd. Niet alleen door vervanging en nieuwbouw van een installatie, maar ook door gedegen onderhoud aan een bestaande installatie.

Werken aan een veilige industrie
Belangrijke aanleiding voor het onderzoek was het idee dat veroudering van installaties in de chemie, oorzaak is van veel veiligheidsincidenten. Dit blijkt niet het geval. Van de veiligheidsincidenten wordt ongeveer 16 procent mede veroorzaakt door veroudering. Dit is lager dan de percentages in andere landen. Verder blijkt uit het onderzoek dat Nederland goed scoort ten opzichte van andere landen. De gemiddelde onderhoudskosten en de technische beschikbaarheid van de installaties zijn vergelijkbaar met of steken gunstig af bij die in de omliggende Europese landen en de VS.

Onderzoek herhalen
De Koninklijke VNCI is verheugd dat de studie laat zien dat de assets in de Nederlandse (petro)chemie de afgelopen periode zijn verjongd als gevolg van de investeringen die hebben plaatsgevonden. Tegelijkertijd is die uitkomst volgens de vereniging geen reden tot zelfgenoegzaamheid. De studie biedt ook aanknopingspunten voor verder onderzoek. Zo is de vraag terecht hoe een dergelijk resultaat zich houdt over een langere periode. Het voorstel van de begeleidingsgroep van deze nulmeting is dan ook dat het onderzoek periodiek wordt herhaald.

Reactie staatssecretaris
Staatssecretaris Van Veldhoven van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft de Tweede Kamer via een brief geïnfomeerd over de nulmeting voor de staat van de assets (installaties) in de Nederlandse (petro)chemische industrie en de publicatie van het rapport van de nulmeting. In haar aanstaande brief over de beleidsaanpak omgevingsveiligheid en milieurisico’s zal ze uitgebreider op de inhoud van het rapport ingaan, schrijft Van Veldhoven.

Lees hier het rapport