Nationaal Plan Energiesysteem
Het kabinet zet in op maximale opschaling van de beschikbare hoeveelheid duurzame energie
Energietransitie

Rollen voor – langdurige – CCS en kernenergie vallen op

Het kabinet zet in op maximale opschaling van de beschikbare hoeveelheid duurzame energie

Het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) werd deze zomer, voor de val van het kabinet gepresenteerd. Hoewel veel minder concreet voor de industrie dan het Nationaal Programma voor de verduur­zaming van de Industrie (NPVI), is ook dit programma relevant voor de procesindustrie. Process Control vat het rapport voor u samen.

Joeri van der Kloet

Het kabinet, inmiddels demissionair, kwam afgelopen voorjaar met een Nationaal Programma voor de Verduurzaming van de Industrie (NPVI). Daarin werd, vooral op cluster­niveau, beschreven hoe de Nederlandse industrie kan verduurzamen. Het NPVI heeft als doel om onzeker­heden met betrekking tot de randvoorwaarden van de verduurzaming (beschikbaarheid stroom, waterstof, vergunningen, etc) weg te nemen en te sturen op de versnelde realisatie van investeringen die leiden tot een duurzamere industrie. Het NPVI staat niet op zichzelf: het kabinet presenteerde afgelopen zomer een ander plan: het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE). Tussen het NPVI en het NPE is sprake van een zekere wisselwerking: ‘De industrie zal rekening moeten houden met wat mogelijk is binnen de grenzen van het energiesysteem, en het energiesysteem zal waar mogelijk maximaal de behoefte van de industrie moeten faciliteren’, zo staat er in het NPVI te lezen.

Achtergrond
Nederland heeft vóór 2050 een nieuw energiesysteem nodig, willen de klimaatdoelen van 2050 behaald worden. In het NPE wordt een voorstel voor een ontwikkelrichting gedaan voor een langjarig en samenhangend energiesysteem van de toekomst. Het NPE is nog niet definitief: ten eerste omdat het huidige plan ‘slechts’ een concept is, maar vooral omdat het NPE elke vijf jaar zal worden aangepast aan de actuele ontwikkelingen.

Experts
Het NPE is deels gebaseerd op de zogenaamde ‘Outlook’ van een expertteam. Dit team, bestaande uit onafhankelijke experts uit diverse disciplines, plus de werkgroep ‘Outlook energiesysteem 2050’, bestaande uit experts van TNO en RVO, bracht bestaande studies en scenario’s met knelpunten rondom het energie­systeem in kaart.

Thema’s, energieketens en sectoren
Het NPE benadert het energiesysteem van 2050 niet met 2023 als vertrekpunt. Integendeel: ‘We kijken wat in 2050 nodig is, en redeneren dan terug naar vandaag’, schrijft RVO in een begeleidend document. Daarbij wordt ingezet op een ‘meer sturende rol’ voor de Rijksoverheid en wordt er onderscheid gemaakt tussen vijf hoofdthema’s: maximaal aanbod, energie­besparing, verdelen bij schaarste, internationale samenwerking en samen sturen.

Daarnaast maakt het NPE onderscheid tussen een viertal energieketens: elektriciteit, waterstof, koolstof en warmte. ‘Met deze ketenaanpak stuurt het kabinet gericht op benodigde opschaling en uitrol die in of tussen de ketens noodzakelijk is. Het NPE bekijkt per sector (industrie, gebouwde omgeving, mobiliteit en landbouw) wat nodig is om te verduurzamen’, vermeldt het rapport. Per sector wordt vervolgens een ‘transitiepad’ geschetst waarbij de confrontatie tussen en vraag en aanbod in kaart wordt gebracht. ‘Daarbij wordt steeds de vraag gesteld of er voldoende energie en energie- infrastructuur beschikbaar is, en zo niet, hoe hiermee om te gaanÀ Belangrijk hierbij is dat het energiesysteem van de toekomst sterk onderling verbonden is. De wisselwerking tussen de verschillende energieketens is cruciaal voor het totale energiesysteem. Het NPE kijkt vanuit het publiek belang integraal naar het hele energiesysteem: opwek (en import), transport, conversie, opslag, gebruik en interactie tussen ketens onderling en met sectoren.’

Als verantwoording voor het NPE vermelden de schrijvers dat het nieuwe energiesysteem publieke belangen als basis heeft, dat het betaalbaar en economisch krachtig dient te zijn, dat betrouwbaarheid en veiligheid voorop staan, dat het rechtvaardig is en participatief en dat het (uiteraard) ook daadwerkelijk duurzaam dient te zijn.

“Waterstof zal een belangrijke rol gaan spelen op momenten dat elektriciteit schaars is, maar ook in de vorm van grondstof”

Het plan
Laten we eens inzoomen op het daadwerkelijk plan, want daar draait het immers om. Centraal in het plan zijn de reeds genoemde hoofdthema’s: maximaal aanbod, energiebesparing, verdelen bij schaarste, internationale samenwerking en samen sturen. Verreweg de meeste concrete (en relevante) informatie voor de industrie valt onder dit eerste thema.

Wat betreft dit eerste hoofdthema: maximaal aanbod, vermeldt het rapport: ‘Het kabinet gaat uit van energieproductie, -infrastructuur en -beleid die rekening houden met de hoogste vraagscenario’s uit de sectorale transitiepaden (de genoemde sectoren in de paragraaf ‘ketens en sectoren’, red.). Hiermee borgen we strategische leveringszekerheid en blijft het energiesysteem een belangrijke vestigingsklimaatfactor in Nederland. Bovendien kan afschalen makkelijker dan opschalen. Dat betekent dat het kabinet nu vanuit het energiesysteem maximaal inzet op de groei van opwek van duurzame energieproductie, ontwikkeling van importketens en robuuste uitbreiding van de infrastructuur. Dat wil zeggen: het kabinet wacht ontwikkelingen niet af maar doorbreekt de onzekerheid door nu maximaal op te schalen.’

Het kabinet wil dus ‘maximaal opschalen’. Die op­schaling dient bovendien zoveel mogelijk binnenNederland te gebeuren, zo valt even verderop te lezen. Zo moet ‘tenminste een strategisch deel van de benodigde waterstof in Nederland worden geproduceerd’. Voor warmte geldt dat in nog sterkere mate: ‘Aangezien ook de warmtevoorziening vanuit warmtenetten uit binnenlandse bronnen komt, kan de energievraag van sterk nationaal georiënteerde sectoren als gebouwde omgeving, binnenlandse mobiliteit en landbouw in 2050 vrijwel geheel komen uit binnenlandse bronnen.’Toch gaan de schrijvers er niet vanuit dat Nederland geheel zelfvoorzienend kan zijn: ‘Voor meer internationaal georiënteerde sectoren als industrie en internationale lucht- en scheepvaart blijft import van energiedragers noodzakelijk’.

Het kabinet houdt de deurop een kier voor de productie van synthetische brandstoffen

“Het kabinet wacht ontwikkelingen niet af maar doorbreekt de onzeker-­ heid door nu maximaal op te schalen”

Decentraal
Waar het oude energiesysteem vrijwel geheel centraal was ingericht, zal dat in de toekomst veranderen. In de toekomst wordt een groot deel van de energie nog centraal op zee of in de kustregio opgewekt en getransporteerd naar land, maar een deel wordt ook lokaal opgewekt, door zon- en windparken, zon op dak, geothermie en andere lokale bronnen. Het kabinet zal bovendien inzetten op de ontwikkeling van lokale ‘energiehubs’.Om dat decentrale systeem te kunnen laten functioneren is systeemintegratie nodig. Waar voorheen de verbinding tussen (centrale) energieproducent en gebruiker lineair was, zijn er in de toekomst veel meer robuuste verbindingen nodig. Dat betekent dat er niet alleen fysieke verbindingen moeten worden aangelegd, maar dat vraag en aanbod ook tussen veel meer vragers en aanbieders moet worden gebalanceerd. Waterstof(dragers) en warmtebuffers moeten voor meer flexibiliteit zorgen.

Nog niet commercieel
Volgens het NPE zal bijna de helft van de nodige emissiereducties afkomstig zijn uit technologieën die nu nog niet commercieel beschikbaar zijn. Het kabinet lijkt er vanuit te gaan dat de ontwikkeling van groene waterstofproductie, kleine kerncentrales (SMR’s) energieopslag, elektrificatie van de industrie, hernieuwbare biobrandstoffen voor de luchtvaart en scheepvaart een behoorlijke vlucht zal nemen. Daarvoor is krachtig innovatiebeleid nodig en daarom zullen de diverse innovatie-agenda’s in lijn worden gebracht met het NPE.

Het kabinet gaat in het NPE uit van de hoogst mogelijke energievragen vanuit de diverse sectoren

Ruggengraat
De ruggengraat van het nieuwe energiesysteem wordt straks gevormd door CO2-vrije elektriciteit. Sterker nog, al in 2035 dient het elektriciteitssysteem in Nederland CO2-vrij te zijn. De hoeveelheid dient bovendien drastisch groter te zijn dan er nu beschikbaar is. Dat vereist verzwaring van het net. Een zo groot mogelijk deel van de elektriciteit komt van wind en zon, maar opvallend genoeg maakt het NPE ook melding van kernenergie: ‘Kernenergie speelt als basislast een belangrijke rol bij het robuust maken van het systeem’.

Waterstof
Waterstof speelt, niet geheel onverwachts, eveneens een cruciale rol in het NPE: ‘Het doel voor waterstofproductie in 2030 is 4 GW en ca. 8GW in 2032. De groei na 2032 zal doorgaan richting 15- 20 GW in 2040. Aandachtspunt is dat groene elektriciteit naar verwachting tot ca. 2035 schaars zal zijn. Het kabinet zet naast elektrolyse op land ook in op de opschaling van elektrolyse op zee, direct bij windparken. Waterstofproductie op zee zal naar verwachting pas na 2035 grootschalig gerealiseerd worden’.En hoewel er binnen Nederland ten minste een ‘strategisch deel’ van de waterstof moet worden geproduceerd, is import onvermijdelijk: ‘Naast nationale productie zet het kabinet ook in op de opschaling van import van waterstof. Door in te zetten op zowel nationale productie als import wordt de onzekerheid dat voldoende waterstof beschikbaar is in de transitiefase kleiner. Import van waterstof zal naar verwachting ook op de lange termijn nodig en efficiënt zijn om aan de vraag van de industrie te voldoen. Het kabinet zet in op diversificatie bij import om risicovolle afhankelijkheid van landen buiten Europa te vermijden en trekt hierin samen op met andere lidstaten binnen de EU.’

CCS, ook lange termijn
Interessant is dat het NPE het enigszins controversiële CCS niet alleen als transitietechniek beschouwt: ‘CO₂ afvang en opslag (CCS) is zowel in de transitie als op lange termijn nodig. In deze fase van de transitieperiode is toepassing van CO2-afvang en opslag bij fossiel energiegebruik in de industrie cruciaal om snel emissies te reduceren. Aangezien er grenzen zitten aan het opschalingstempo voor de uitrol van hernieuwbare elektriciteit en groene waterstof is CCS essentieel om op tijd de beoogde emissiereducties te behalen’.

Energiebesparing
Het tweede hoofdthema, energiebesparing, is weliswaar interessant en relevant voor de industrie, maar wordt inmiddels ingevuld door diverse wetten die energiebesparing verplichten. Bovendien is het NPE niet bijzonder concreet over hoe de energiebesparing binnen de industrie gerealiseerd zou moeten worden.

Verdelen bij schaarste
Het derde hoofdthema gaat over het verdelen van energie bij schaarste en ook dat is relevant voor de industrie. ‘Vanuit het systeemperspectief geldt dat schaarse duurzame energie daar wordt ingezet waar er geen goede alternatieven zijn, het maatschappelijk de meeste meerwaarde heeft en gericht is op het behalen van de Europese doelen waar Nederland zich aan verbonden heeft’, stellen de schrijvers van het rapport. Het rapport gaat niet specifiek in op wie er als eerste zal worden afgesloten bij echte elektriciteitsschaarste, maar wél wordt ingegaan op de prioritering van de aanleg van nieuwe (elektriciteit) infrastructuur. Die ligt bij de schrijvers namelijk bij de ‘grote energie­projecten van nationaal belang’.

Waterstof zal een belangrijke rol gaan spelen op momenten dat elektriciteit schaars is, maar ook in de vorm van grondstof: ‘Groene waterstof zal met name in de chemische en energie-intensieve industrie wordeningezet als grondstof en vanwege de vraag naar hogetemperatuurwarmte’, zo stellen de schrijvers van het rapport.

Het hoofdstuk over schaarste sluit af met een paragraaf over synthetische brandstoffen. Het kabinet houdt, net als de Duitsers en Italianen recent binnende EU, de deur voor dit type brandstof op een kier: ‘Het kabinet wil meer zicht krijgen op hoe de energie-intensieve industrie in Nederland er op de lange termijn uit gaat zien. Dit geldt met name voor de productie van synthetische brandstoffen voor de lucht- en scheepvaart. Indien de productie van synthetische brandstoffen in Nederland groot wordt, is hier veel (geïmporteerde) energie en grondstoffen voor nodig. Dit heeft grote impact op de ontwikkeling van het energiesysteem, omdat dit veel waterstof, elektriciteit en duurzame koolstof vraagt. Ook havens moeten zich hier tijdig op voorbereiden. De ontwikkeling van deze productie is echter afhankelijk van een groot aantal externe factoren, zoals het Europese en internationale lucht en scheepvaart (verduurzamings)beleid, de hoeveelheid internationaal transport en de internationale prijsontwikkelingen van energie, grond- en brandstoffen.’Het vierde thema, samen sturen, is voor de industrie niet bijzonder relevant en slaan we daarom over.

“Naast nationale productie zet het kabinet ook in op de opschaling van import van waterstof”

Ontwikkelrichting
Het rapport eindigt met een ‘ontwikkelrichting’, waarin wordt beschreven hoe energie tot 2050 in omvang en verhouding zal verschuiven. Het rapport schetst vier fases tot aan 2050, waarin de stapsgewijze afbouw van fossiele energie en de opbouw van duurzame energie zou kunnen worden gerealiseerd. Tenslotte wordt die ontwikkeling nog eens gespecificeerd per energieketen. Zowel de ontwikkelrichting als de ontwikkelrichting per energieketen is dermate compact en visueel weergegeven in het rapport, dat we graag naar de pagina’s 22-29 van die publicatie (zie kader) verwijzen.

CO2 afvang en opslag (CCS) is volgens het NPE zowel in de transitie als op lange termijn nodig.

 

Heb je interesse in meer artikelen uit het magazine? Klik dan hier.