De recente oproep van een groep economen aan het kabinet om af te zien van miljardensteun aan Tata Steel heeft het debat over de toekomst van de Nederlandse industrie opnieuw op scherp gezet. Hoewel de zorgen over publieke uitgaven, marktverstoring en duurzaamheid legitiem zijn, verdient de discussie een bredere en diepgaandere benadering dan in de betreffende brief wordt geboden. Vanuit technologisch, geopolitiek en maatschappelijk perspectief is het namelijk de vraag of het afbouwen van de basisindustrie, en in het bijzonder de staalproductie, wel in het lange termijnbelang van Nederland en Europa is. In reactie op deze brief is het daarom noodzakelijk om het debat te verdiepen en de complexiteit van het vraagstuk te erkennen.
Basisindustrie
Juist in dat licht is het behoud van een eigen basisindustrie van groot belang. Staal en chemie vormen de fundamenten van vrijwel alle industriële waardeketens. Zonder deze sectoren wordt het moeilijk om hoogwaardige technologieën te ontwikkelen en te produceren. Denk maar eens aan de productie van halfgeleiders, windturbines of infrastructuur. Al deze producenten zijn afhankelijk van materialen die voortkomen uit de basisindustrie. Het idee dat een land zich uitsluitend kan richten op het maken van hoogwaardige eindproducten, zonder de onderliggende basisproducten autonoom te kunnen verkrijgen, is daarom niet realistisch.
CO2-uitstoot
Berben legt uit: “Een belangrijk punt van kritiek van de economen betreft verder de CO2-uitstoot van Tata Steel. Zij stellen impliciet dat het beter zou zijn om de staalproductie elders te laten plaatsvinden. Deze redenering gaat echter voorbij aan een cruciaal aspect van het klimaatbeleid, namelijk het zogenaamde waterbedeffect. Wanneer de productie uit Nederland verdwijnt, verplaatst deze zich vaak naar landen met minder strenge milieuregels en een minder duurzame energievoorziening. Het resultaat is dat de wereldwijde uitstoot dan niet afneemt, maar mogelijk zelfs toeneemt. Investeren in verduurzaming van de industrie binnen Nederland kan daarentegen juist leiden tot een netto-reductie van emissies en tegelijkertijd technologische innovatie stimuleren.”
Productie dichtbij huis
Ernst Worrell, hoogleraar Energie en Grondstoffen en Technologische veranderingsprocessen aan de Universiteit van Utrecht vult aan: “De energietransitie is bovendien onlosmakelijk verbonden met de materiaaltransitie. De bouw van windmolens, zonneparken en elektrische infrastructuur vereist investeringen in grote hoeveelheden staal en andere materialen. Een enkele windturbine bevat al snel honderden tonnen staal. Het is daarom te simplistisch om te stellen dat deze materialen eenvoudigweg uit het buitenland kunnen worden geïmporteerd. Productie dichtbij huis biedt gewoonweg voordelen op het gebied van logistiek, innovatie en integratie met andere industriële processen.
Geografische ligging
Berben: “Interessant te melden is verder dat Nederland bovendien een unieke geografische ligging heeft en dat levert weer economische voordelen op die de aanwezigheid van een staalindustrie logisch maken. Denk bijvoorbeeld maar eens aan ligging aan zee, met toegang tot grote havens zoals Rotterdam. Dit maakt ons land bijzonder geschikt voor de aanvoer van grondstoffen en de export van producten. Tegelijkertijd biedt de Noordzee enorme mogelijkheden voor duurzame energie-opwekking via windparken op zee. Deze combinatie van logistieke en energetische voordelen creëert een sterke basis voor een toekomstbestendige industrie, mits er wordt geïnvesteerd in de juiste infrastructuur en in verduurzaaming.”
VISIE, SAMENWERKING EN DURF
Integrale benadering
“De brief van de economen lijkt vooral te zijn gebaseerd op een economisch perspectief, waarbij kosten en baten op korte termijn centraal staan. Wat ontbreekt, is een integrale benadering waarin ook technologische, geopolitieke en maatschappelijke factoren worden meegenomen. De ontwikkeling van nieuwe staalproductietechnieken, zoals waterstofgebaseerde processen, vereist enorme investeringen en dat brengt onherroepelijk onzekerheden met zich mee”, aldus Joris Dik, afdelingsvoorzitter van Materiaalwetenschappen aan de TU Delft. Dit soort systeeminnovaties zijn vaak te groot en te risicovol voor individuele bedrijven om alleen te dragen. Publieke ondersteuning kan in dat geval gerechtvaardigd zijn, zeker wanneer de baten zich uitstrekken over de gehele samenleving zoals bij Tata Steel het geval zo legt Worrell uit.
Europa
Het argument dat een groot deel van het Nederlandse staal wordt geëxporteerd, wordt in de brief gepresenteerd als reden om geen steun te verlenen. Dit argument is volgens Worrell echter misleidend. Het merendeel van deze export blijft namelijk binnen Europa en maakt deel uit van geïntegreerde waardeketens. Bovendien gaat het veelal om hoogwaardig staal dat essentieel is voor specifieke toepassingen, zoals auto’s, verpakkingen, batterijen etc. Worrell: “Het beeld van Tata Steel als een geïsoleerd ‘commodity-eiland’ doet dan ook geen recht aan de werkelijkheid. Rondom de staalproductie in IJmuiden bestaat een uitgebreid nationaal ecosysteem van toeleveranciers, verwerkende industrieën en kennisinstellingen. Dit ecosysteem draagt in hoge mate bij aan innovatie, werkgelegenheid en economische groei.”
Staatssteun
De discussie over staatssteun moet volgens de heren Worrell en Dik worden geplaatst in een bredere Europese context. In meerdere landen, waaronder Duitsland, wordt de staalindustrie actief ondersteund bij de transitie naar een duurzamere productie. Wanneer Nederland ervoor kiest om dit niet te doen, bestaat het risico dat de industrie verdwijnt zonder dat de mondiale problemen worden opgelost. Dit kan leiden tot verlies van kennis, werkgelegenheid en strategische autonomie. Een gecoördineerde Europese aanpak ligt daarom voor de hand, zodat de verschillende Europese landen kunnen samenwerken om de industrie te verduurzamen en deze concurrerend te houden.
Talentontwikkeling
Berben vervolgt: “Een ander belangrijk aspect is de rol van innovatie en kennisontwikkeling. Nederland beschikt over sterke universiteiten en onderzoeksinstellingen die nauw samenwerken met de industrie. Deze samenwerking is essentieel voor het ontwikkelen van nieuwe technologieën en het opleiden van talent. Wanneer onze basisindustrie verdwijnt, komt ook deze kennisinfrastructuur onder druk te staan. Innovatie vindt immers vaak plaats op het snijvlak van wetenschap en praktijk.” Worrell vult aan: “En ja, de transitie van de industrie zal onvermijdelijk gepaard gaan met veranderingen in werkgelegenheid. Sommige banen zullen verdwijnen, terwijl er nieuwe ontstaan in andere sectoren. Dit proces is niet nieuw. Vergelijkbare verschuivingen hebben zich ook in het verleden voorgedaan. Denk maar eens aan het ontstaan van Chemelot bij het dichtgaan van de mijnen indertijd en ook aan de opkomst van de olie-industrie in Rotterdam. En ook nu staan wij weer op zo’n keerpunt, mede ingegeven door alle geopolitieke strubbelingen in de wereld. Mijns inziens is het dan ook van groot belang dat deze transitie zorgvuldig wordt begeleid, met aandacht voor omscholing en sociale zekerheid. Het simpelweg afbouwen van de industrie zonder perspectief op nieuwe werkgelegenheid is namelijk geen duurzame oplossing.”
Waardevolle bijdrage
Dik legt uit dat hij de oproep van de economen dan ook zeker ziet als een waardevolle bijdrage aan het debat. “Daarbij wil ik wel aantekenen dat deze brief wel tekortschiet door de eenzijdigheid. Doordat de focus uitsluitend ligt op economische argumenten, ontstaat er een verkokerde blik die onvoldoende recht doet aan de complexiteit van het vraagstuk. Een toekomstbestendige strategie voor de Nederlandse industrie vereist mijns inziens dan ook een multidisciplinaire benadering, waarin ook technologische, ecologische en maatschappelijke aspecten worden meegenomen.” Tevens is Dik van mening dat de ‘timing’ en de toon van de brief vragen oproepen. Door deze vlak voor een politiek debat te publiceren, krijgt het geheel een activistisch karakter dat afbreuk doet aan de wetenschappelijke nuance die juist zo belangrijk is in dit soort discussies. Een breed gedragen en goed onderbouwd advies, waarin verschillende disciplines samenwerken, zou meer recht doen aan de ernst en complexiteit van deze situatie. Worrell: “Het is gewoonweg belangrijk om te erkennen dat de verduurzaming van de staalindustrie geen eenvoudige opgave is. De benodigde investeringen zijn groot en de technologische uitdagingen aanzienlijk. Tegelijkertijd biedt deze transitie kansen voor Nederland om een leidende rol te spelen in de ontwikkeling van duurzame industriële processen. Door nu te investeren, kan het land profiteren van zogenaamde ‘first mover advantages’ en zo dus een sterke positie opbouwen in de toekomstige groene economie.”
Geschiedenis
De geschiedenis laat zien dat strategische keuzes op het gebied van industrie en technologie grote gevolgen kunnen hebben. Beslissingen die uitsluitend zijn gebaseerd op korte termijn economische overwegingen kunnen op de lange termijn nadelige effecten hebben. Het voorbeeld van eerdere discussies over staatssteun aan innovatieve bedrijven onderstreept dit. Denk maar eens terug aan kritiek van de macro-economen in de jaren ’90 op de voorgestelde steun aan ASML. Wat destijds als risicovol werd gezien, bleek achteraf vaak een cruciale investering in de toekomst. En ook recent heeft nog een dergelijke discussie plaatsgevonden over kernenergie in Duitsland. De kernvraag is dan ook niet of Nederland het goedkoopste staal kan produceren, maar of een geavanceerde economie zonder basisindustrie haar welvaart en autonomie kan behouden. In een wereld waarin geopolitieke spanningen toenemen en economische verhoudingen verschuiven, is het namelijk van strategisch belang om de juiste keuzes te maken die verder gaan dan kostenoptimalisatie.
Toekomst Nederland
Worrell legt uit: “Het debat over Tata Steel raakt dan ook aan fundamentele vragen over de toekomst van Nederland als industrieland. Welke sectoren willen we behouden en ontwikkelen? Hoe zorgen we voor een duurzame en concurrerende economie? En welke rol speelt de overheid in het ondersteunen van deze transitie? Het beantwoorden van deze vragen vereist een open en breed gedragen discussie, waarin verschillende perspectieven samenkomen. Het is ons inziens dan ook van belang dat het kabinet zich niet laat leiden door eenzijdige analyses, maar kiest voor een integrale benadering. Investeren in de verduurzaming van de staalindustrie kan bijdragen aan klimaatdoelen, economische groei, weerbaarheid en strategische autonomie.” Dik vult aan: “Tegelijkertijd moeten de zorgen over kosten, efficiëntie en maatschappelijke impact serieus worden genomen en zorgvuldig worden afgewogen.”
Samenvattend
Concluderend kan worden gesteld dat het afzien van steun aan Tata Steel op basis van de huidige argumentatie van de economen een te kortzichtige beslissing zou zijn. Berben: “De toekomst van de Nederlandse basisindustrie vraagt namelijk om visie, samenwerking en durf.” Door te investeren in innovatie en verduurzaming kan Nederland niet alleen zijn industriële basis behouden, maar ook een voortrekkersrol vervullen in de wereldwijde transitie naar een duurzame economie.”











